Balans als fundament, de praktijk als bewijs
De fokkerij filosofie van K.I. Samen draait om één duidelijke overtuiging: niet de cijfers op papier, maar de prestaties in de stal bepalen het succes. Door te selecteren uit bewezen koefamilies en vaderlijnen en te focussen op balans, functionaliteit en levensduur, bouwt K.I. Samen al decennialang aan koeien die probleemloos produceren en bijdragen aan een gezond bedrijfsrendement. Foktechnisch adviseurs Jan Wagemaker en Uwe Allers zien dagelijks hoe deze filosofie zich vertaalt naar de praktijk op melkveebedrijven.
De koe als uitgangspunt van de fokkerij
Jan Wagemaker werkt al meer dan dertig jaar bij K.I. Samen en bezoekt melkveebedrijven in noord holland, vaak al drie generaties lang. hij ziet van dichtbij hoe fokkerijkeuzes zich ontwikkelen in de stal. “Wat onze filosofie bijzonder maakt, is dat we altijd naar de koe kijken,” vertelt Jan. “We denken na over hoe we de volgende generatie kunnen verbeteren, en niet zozeer over cijfers alleen.” Uwe Allers vult dat aan vanuit zijn werkgebied in het noorden van het Duitse nedersaksen, waar hij sinds vijf jaar melkveehouders begeleidt. “Daar komt bij dat onze stieren vaak een andere verervingstendens hebben,” legt hij uit. “Ze helpen koeien weer in balans te brengen en zorgen door hun afstamming ook voor meer genetische variatie.”
Zekerheid door bewezen genetica
Hoewel de Duitse melkveebedrijven onderling sterk kunnen verschillen, ziet Uwe een duidelijke overeenkomst. “Over één ding zijn de bedrijven het eens: de koe moet functioneren binnen hun systeem,” zegt hij. “Steeds meer veehouders waarderen de zekerheid van stieren uit bewezen koefamilies én hun dochters die zich bewijzen in de praktijk.” Volgens hem speelt herkenbaarheid daarbij een grote rol. “Veehouders willen met begrijpelijke en goed te volgen informatie kunnen werken. Voor veel mensen zijn genomische cijfers vrij abstract. De moederprestaties van jonge stieren en de dochterprestaties van bewezen verervers zijn cijfers uit de praktijk. Dat geeft veehouders meer zekerheid bij hun fokkerijkeuzes en een duidelijker beeld van wat ze kunnen verwachten.”
“Wanneer je fokt op balans, krijg je een koe die beter functioneert en dat lang kan volhouden.”
Weg van extreme fokkerij
Jan waarschuwt dat de sector soms te ver doorschiet naar extremen. “We moeten af van eenzijdige fokkerij,” zegt hij. “Extreem grote koeien produceren misschien goed, maar worden vaak niet oud.” Uwe herkent dat beeld ook in zijn werkgebied. “Veel veehouders ervaren dat koeien steeds groter en smaller worden,” vertelt hij. “Ook de trend naar steilere achterbenen krijgt steeds meer kritiek. Dat zijn ontwikkelingen die uiteindelijk ten koste kunnen gaan van duurzaamheid en gebruiksgemak.” Juist daar sluit de filosofie van K.I. Samen volgens hem goed op aan. “Wanneer je fokt op balans, krijg je een koe die beter functioneert en dat lang kan volhouden.”

Problemen die veehouders herkennen
Wanneer bedrijven pas met K.I. Samen werken, valt Uwe regelmatig koeien op die te groot, te smal of te steil gebouwd zijn. “Dat zijn dieren die vaak ook kwetsbaarder zijn. Veel van deze veehouders kunnen met de genetica van K.I. Samen meer balans in hun veestapel te krijgen. Ze willen een meer probleemloze en functionele veestapel,” legt Allers uit. “In zulke situaties werken stieren met de aAa-codes zoals 156, 516 en 615 vaak bijzonder goed.”
Uniformiteit brengt rust in de stal
Jan ziet dat evenzo. “Vroeger zag je vaak veel variatie: grote, smalle en extreme koeien door elkaar,” vertelt hij. “Tegenwoordig zie ik meer uniformiteit in de veestapels. Koeien zijn iets minder groot en beter in balans gebouwd en daardoor gezonder.” Volgens hem komt dat doordat veehouders bewuster nadenken over hun fokdoel. “Ze merken dat balans leidt tot minder problemen, een hogere productiviteit en uiteindelijk een beter rendement.” Uwe ziet hetzelfde effect in bedrijven waar al langer met K.I. Samen stieren wordt gewerkt. “Die veestapels zijn vaak duidelijk uniformer,” zegt hij. “De koeien zijn harmonischer gebouwd, omdat melktype en kracht beter in evenwicht zijn. Daardoor kunnen ze enerzijds goed produceren en anderzijds oud worden.”

Duurzame productie begint al bij de vaars
“De effecten van deze aanpak zijn al vroeg zichtbaar. Dat zie je zelfs bij de kalveren,” legt Uwe uit. “De dieren ontwikkelen zich vaak rustiger.” Die latere rijpheid heeft volgens hem voordelen. “Vooral als vaarzen beginnen ze wat rustiger, maar daardoor gaan ze ook langer mee. In latere lactaties hebben ze dan geen enkel probleem om zeer hoge melkproducties te halen.”
Wat de melkveehouder van morgen bezighoudt
Volgens Jan verandert ook het denken van melkveehouders. “De toekomstige veehouder kiest vooral voor gemak en betrouwbaarheid,” zegt hij. “Men wil een uniforme, gezonde en probleemloze veestapel.” In het verleden trokken extreme koeien vaak de aandacht. “Maar juist die dieren hadden vaak de meeste problemen,” legt Jan uit. “Wanneer vorm en functie beter in balans zijn, vallen koeien eigenlijk niet meer op. En juist die koeien vormen de kracht van een melkveebedrijf, omdat ze gemakkelijk te managen zijn en weinig problemen geven.” Uwe knikt: “Daarnaast zie ik dat de eisen aan melkkoeien in Duitsland steeds complexer worden. De koe moet veel produceren, terwijl dierenarts- en vervangingskosten laag moeten blijven. Verder neemt het gebruik van melkrobots toe, waardoor de koe ook goed in dat systeem moet functioneren.”
Gerichte paringen met het Triple A-systeem
Om doelgericht te fokken, maken steeds meer veehouders gebruik van hulpmiddelen zoals het Triple A systeem. Volgens Jan helpt dit om gerichte keuzes te maken. “Veehouders kiezen niet meer zomaar de hoogste stier op papier,” zegt hij. “Ze kijken naar wat hun koe in haar bouw mist en maken daarop een gerichte paring met de aAa-methode.” Deze aanpak draagt volgens hem direct bij aan balans in de lichaamsverhoudingen van het dier.
Groeiend gebruik van de aAa-methode
In Nederland wordt het Triple A-systeem al lange tijd toegepast, maar ook in Duitsland groeit de belangstelling. Uwe ziet daar een duidelijke ontwikkeling. “Het aantal bedrijven dat ermee werkt groeit, omdat de eenvoud van het systeem veehouders aanspreekt,” beaamt hij. “Het principe is duidelijk: de bouw van de koe en de stier moeten elkaar aanvullen. Door te focussen op balans ontstaat een sterkere basis.”
De ideale koe
Wanneer Jan wordt gevraagd naar zijn ideale koe, komt hij direct terug op het woord balans. “Voor mij is de ideale koe compleet en functioneel: niet te groot, goed in balans en met 6 sterke benen,” zegt hij. Daarbij kijkt hij naar duurzame prestaties. “Ik zie graag een stijgende productielijn en gezonde koeien die meerdere lactaties meegaan. Het liefst laatrijpe vaarzen die rustig doorgroeien en later pieken, want het gaat niet om snelle productie maar om duurzaamheid.” Uwe sluit daarbij aan en beschrijft de ideale koe als een dier van middelgrote omvang met een vrouwelijke kop en een brede neusspiegel. “De borst moet breed en diep zijn zodat de organen voldoende ruimte hebben, met een open rib om productie te ondersteunen.” Ook het kruis vindt hij belangrijk. “Dat moet breed zijn, zodat het afkalven probleemloos verloopt en er een goede basis ontstaat voor een breed uier.” Daarnaast let hij op beenwerk en klauwen en ook het uier moet functioneel zijn. “Een lang, stevig aangehecht uier, een sterke middenhand en centraal geplaatste spenen maakt het beeld compleet.”

Gerichte keuzes in plaats van alleen cijfers
Volgens Uwe begint goede fokkerij bij het analyseren van het individuele dier. “Je moet niet alleen naar hoge totaalfokwaarden kijken,” zegt hij. “Je moet vooral kijken naar wat de individuele koe nodig heeft.” Hij waarschuwt dat eenzijdige selectie risico’s met zich meebrengt. “Als je alleen naar hoge indexcijfers kijkt zonder rekening te houden met wat de koe in haar bouw mist, krijg je steeds extremere en kwetsbaardere koeien.” Daarom moeten fokwaarden volgens hem vooral als hulpmiddel worden gezien. “Voor het eigen fokdoel moet je kijken welk type koe het beste functioneert binnen de eigen veestapel.”
Meer werkplezier en beter rendement
Jan sluit zich daarbij aan en heeft een duidelijke boodschap voor veehouders. “Een stier moet passen bij de veestapel én bij het fokdoel,” zegt hij. Die praktische aanpak heeft volgens Jan niet alleen invloed op de koeien, maar ook op de veehouder zelf. “De toekomst van de melkveehouderij ligt in efficiëntie en duurzaamheid,” zegt hij. “Veehouders willen een goed rendement met minder arbeid en meer werkplezier.” Ondanks de toenemende regelgeving ziet hij nog steeds veel enthousiasme in de sector. “Er is nog altijd veel passie voor het vak,” zegt hij. “Dat bewijst dat de praktische aanpak werkt.”
Al meer dan veertig jaar hetzelfde bewijs
Het resultaat van deze filosofie is zichtbaar op talloze melkveebedrijven, zowel in Nederland als daarbuiten. Veehouders ervaren dagelijks dat een gebalanceerde fokkerij leidt tot sterke, duurzame koeien. En uiteindelijk blijft één conclusie overeind: wanneer de koeien probleemloos produceren en meerdere lactaties meegaan, spreekt de praktijk voor zich. “En daar zijn we trots op: al meer dan veertig jaar kunnen we zeggen dat de praktijk het bewijst.”
